Duisternis

Voor mij ligt het verlaten rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen. Vanuit het raam van mijn appartement op de twaalfde verdieping kan ik het hele terrein overzien. Ik neem een slok uit mijn kopje waar thee in zit, maar waar aan de buitenkant met grote letters ‘chocolademelk’ op staat. Ondertussen zie ik uit mijn ooghoek een konijn over de spoorrails rennen. Alleen in het licht van de lantaarnpaal is hij even zichtbaar, daarna verdwijnt hij weer in de duisternis.

Op de tafel naast me ligt de brief van de gemeente. De bijbehorende envelop ligt verfrommeld in een hoek van de kamer. Zodra ik die, toen nog intact, vanmiddag uit de brievenbus viste, wist ik dat het mis was. Binnenkort moet ik weer op zoek naar een nieuwe woning. Ik kijk uit over de verlaten sporen buiten en probeer mezelf te troosten met de gedachte dat ik in dit appartement toch nooit zo op mijn plek was. In plaats van dat dit me gerust stelt, maakt het me juist woedend. De gedachte dat ik me hier toch al nooit thuis voelde en er dan ook nog eens uitgezet wordt, is deprimerend.

Ik voel de emotie in me opborrelen. Het is niet uitsluitend woede, het is een soort algehele emotie, die me volledig overspoelt. Mijn benen en armen voelen slap en zwaar aan. Mijn hoofd slaat op hol. Ik denk duizend gedachten in een keer, maar zou er niet één expliciet kunnen formuleren. Mijn hoofd buig ik licht naar beneden om me een houding aan te meten die klopt met hoe ik me voel.

Het is niet genoeg. Het blijft aan me trekken, dat gevoel. Ik kijk op en zie mezelf in het raam. Ik zie er belachelijk uit. Als een slechte acteur die probeert boosheid uit te beelden. Als een aansteller. Terwijl ik naar mijn eigen spiegelbeeld kijk, krijgt mijn hele lichaam ineens een ontembare energie die naar alle kanten tegelijk gericht is. Ik wil schreeuwen maar doe het niet. Ik wil met mijn hoofd tegen het raam bonken maar doe het niet. In plaats daarvan open ik het raam, haal uit met mijn rechterarm, en gooi zo hard mogelijk mijn theekopje naar buiten.

Er klinkt een hard gerinkel en het wordt pikkedonker. Het kopje heeft precies de lamp van de lantaarnpaal geraakt, en is daarna in scherven die het woord ‘chocolademelk’ spellen naar beneden gevallen.

Ik sluit het raam en draai me om om het licht in de kamer aan te doen. Maar voor ik de lichtschakelaar heb bereikt, hoor ik van het raam waar ik net nog voor stond een stevig geklop komen. Ik blijf staan om te luisteren. Even houdt het geklop op, maar dan gaat het gestaag weer verder. Het is een vrij hard geluid, dat doorklinkt via de vloer. Het geluid stopt weer. Ik draai me om om te kijken, waarop het geklop weer verder gaat. Via de vloer, via mijn blote voeten en via mijn stakerige benen in pyjamabroek resoneert het geklop in mijn buik.

Achter het raam waar ik zojuist mijn kopje nog door naar buiten heb gegooid lijkt de duisternis haast nog ondoordringbaarder dan voorheen. Ik loop naar het raam en leg mijn voorhoofd tegen het glas. Het koele glas maakt mijn hoofd rustig. Ik houd mijn handen langs mijn gezicht tegen het raam om nog beter de duisternis in te kunnen turen. Het blijft duisternis. Ik zie helemaal niks. Na nog een herhaling van een korte pauze en een hernieuwd geklop, houdt het geluid even helemaal op. Ik leun nog steeds tegen het glas. En dan klinkt het geklop ineens een stuk naar rechts. Ik volg het geluid en tuur door een ander raam naar buiten. Ook hier is het duister. Het geklop is nu schuin rechts boven me. Dan stopt het heel even, en verplaatst het zich naar schuin rechts onder, en dan naar schuin linksonder. Tenslotte stopt het weer.

En dan blijft het echt even stil. Doodstil. Ik begin door de kamer te ijsberen. Het is er nog steeds pikkedonker, de lantarenpaal buiten doet niks meer en ik heb het licht binnen nog niet aan gedaan.

Dan ineens klinkt er een zacht geklopt uit de slaapkamer. Ik ren erheen en in een grote tegenwoordigheid van geest druk ik daar bij binnenkomst meteen op het lichtknopje. Er is niks bijzonders te zien. Achter het slaapkamerraam gaapt ook hier een diepe duisternis. Ook ditmaal komt het geklop van het raam. Ik loop erheen en leg mijn hand tegen het raam. Het geklop is opgehouden. Ik haal mijn hand weer weg, en open het raam naar binnen toe. Als ik mijn hand door het open raam naar buiten steek, stoot die tegen een houten plank. De plank is zo groot dat die het hele raam afdekt. Ik duw tegen de plank aan, maar er is geen beweging in te krijgen. Ik voel langs de randen van het raamkozijn. Nergens is een gat. Mijn raam is volledig dichtgetimmerd. Iets of iemand heeft mijn raam volledig dichtgetimmerd.

Ik hap naar adem en wankel achteruit. Ik plof neer op het bed. Iemand heeft al mijn ramen dicht getimmerd. Op de twaalfde verdieping van een flatgebouw. Hoe kan dat?

Dan schrik ik op van een nieuw geklop, dit keer heel dichtbij. Waar komt het vandaan? Er zijn geen ramen meer over om dicht te timmeren. Wat is het dan wel? Gehaast kijk ik om me heen. Ik sta op van het bed en begin rond te lopen. Het geklop lijkt wel van de slaapkamerdeur te komen. In twee stappen sta ik ervoor. Ik grijp de deurklink en probeer de deur open te duwen. Geen beweging. In paniek begin ik woest aan de deur te rammelen. De deur kan echt niet meer open. Dan stopt het geklop, en wordt het doodstil.